Thorn, 07-05-2006, vervolg
Onder het icoontje en links en recht ervan branden kaarsen en noveenkaarsen. De ruimte wordt niet verwend door daglicht. Een vrij klein raampje met glasschilderijen en de ingangsdeur geven een gedempt licht waardoor de brandende kaarsen extra nadruk geven aan de bedoeling van deze ruimte, onderstreept door de overbekende ‘vettige’ reuk.
Bijna automatisch ga ik een kaars uit een doosje nemen en kijk om me heen waar ik de 50 cent moet ingooien. Ik denk nog oppervlakkig: “Och, die 5 cent kunnen er ook nog van af.” Het kaarsje kost namelijk 45 cent.
Met de kaars in de hand ga ik naar de linker muur en ik twijfel voor wie ik die zal laten branden, Lisa en/of de kinderen? Heel kort maar en dan zeg ik tegen mezelf: “Deze is voor jou.” En dan steek ik voor het eerst in mijn leven vol eerbied een kaars voor mij op.
Helemaal vooraan plaats ik de brandende kaars en ga dan een paar stappen achteruit. Aandachtig sluit ik mijn ogen en vraag aan God, Jezus, Maria en de Krachten van het Licht en de Liefde om volledige genezing of toch ten minste om zoveel lichamelijke kracht dat ik Lisa meer kan ontlasten en een groter groep mensen kan helpen.
Vrijwel onmiddellijk voel ik een onbeschrijfelijke lichtheid en zie met gesloten ogen drie engelen boven mij in een volmaakte driehoek. Zij hebben een liggende houding met de hoofden naar elkaar toe en keren hun handpalmen in mijn richting om mij te zegenen. De engelen links en recht voor mij dragen een wit gewaad, de engel rechts van mij een lichtblauw. Vaag komt er iets in mij op dat dit misschien Maria is.
Tranen schieten mij in mijn ogen en ik weet niet hoe lang ik er reeds sta, maar de druk die zich langzaam opbouwt wordt mij te veel. Ik bedank mij nogal overhaast en ga snel naar buiten.
Terug bij het groepje voor de kapel ben ik in een soort roes en gevoelens van dankbaarheid, opwinding en vreugde gonzen door me heen. Lisa merkt iets aan mij, ziet mijn bleek gezicht en vraagt wat er gebeurd is. Ik ben een beetje in de war, weet niet of ik misschien de tover onderbreek als ik het voorval vertel. Ze dringt aan en stokkend komen de eersten woorden met fluisterende stem. Ik wil niet dat iedereen het hoort. Lisa raakt helemaal ontroert en zegt dat ze dat wat er gebeurd is, voor mij gevraagd heeft.
Ik ga op het bankje zitten om een beetje bij te komen en een stemmetje in mij zegt: “Je bent een heel uniek mens maar toch niet meer dan anderen.” - Als ik heel eerlijk terug denk aan dit moment weet ik niet met zekerheid of ik het tweede deel van deze zin niet verstandelijk eraan vast gebreid heb.-
Ondertussen gaat iedereen zich gereed maken om verder te gaan en ik ga even terug in de bewuste ruimte om er een foto van te maken als herinnering, wetend dat dit bezoek niet het laatste was. We laten het kapelletje achter ons, Sonja heeft natuurlijk gemerkt dat er iets was en Lisa heeft haar beknopt vertelt wat gebeurt is. Ook Mara heeft het een en ander mee gekregen en ik voel mij er een beetje ongemakkelijk bij. Ik weet nog steeds niet of ik erover mag praten. Ik besluit hiermee te wachten tot ik erover nagedacht of het misschien zelfs het papier aanvertrouw heb. Als ik opschrijf wat me overkomen is, kan het niet verkeerd uitgelegd worden.
In bed hebben Lisa en ik een heel fijn en emotioneel gesprek over deze dag, alle beiden wetend dat er iets heel bijzonders is gebeurd.